← Kids Club programma's

Animal Adventures

Zes bijeenkomsten Engels over dieren.

6 bijeenkomsten · 30+ min per keer · 4–6 jaar · 6–8 jaar · 8–10 jaar · 10–12 jaar · Geen voorbereiding

Kies de leeftijd

Versie voor 4–6 jaar

Vier woorden per bijeenkomst, veel voordoen en bewegen.

Zelfstandigheid: De begeleider leidt iedere stap; kinderen hoeven niet te lezen.

Voor de begeleider

Elke bijeenkomst duurt ongeveer 30 minuten en heeft dezelfde opbouw: warming-up, woorden, bewegen, spreken en een afsluitende challenge. Je hoeft niets voor te bereiden; alle Engelse zinnen die je kunt zeggen staan erbij.

Benodigdheden

  • digibord of laptop
  • ruimte om te bewegen
  • eventueel woordkaarten

Week 1

Meet the Animals

Acht dierennamen leren kennen en nazeggen.

Engelse woorden

  • dog · hond
  • cat · kat
  • bird · vogel
  • fish · vis
  1. Deel 1

    Warming-up

    Begroet de groep in het Engels en vertel wat jullie gaan doen.

    • Good afternoon! Today: animals!
  2. Deel 2

    Woorden & luisteren

    Zet elk dier groot in beeld, zeg het woord twee keer, de groep zegt na.

    • Dog. Dog. Say it with me!
  3. Deel 3

    Bewegen

    Bij elk dier hoort een beweging. Noem het dier, kinderen doen het dier na.

    • Be a cat! Be a horse!
  4. Deel 4

    Spreken

    In de kring: “I like dogs.” Iedereen mag, niemand moet. Samen nazeggen en één dier kiezen.

    • I like dogs. And you?
  5. Deel 5

    Challenge

    Beeld één dier uit en laat de groep het woord zeggen.

    • Can you name five animals?

Activiteiten hierbij

Week 2

Move Like an Animal

Dierennamen koppelen aan bewegen.

Engelse woorden

  • jump · springen
  • run · rennen
  • fly · vliegen
  • swim · zwemmen
  1. Deel 1

    Warming-up

    Herhaal de dieren van week 1 in snel tempo.

    • Do you remember? Dog! Cat! Bird!
  2. Deel 2

    Woorden & luisteren

    Koppel elk werkwoord aan een dier: a bird can fly, a fish can swim.

    • A bird can fly. A fish can swim.
  3. Deel 3

    Bewegen

    Doe Listen & Move met de dierenwoorden.

    • Fly like a bird! Swim like a fish!
  4. Deel 4

    Spreken

    Elk kind kiest een dier en zegt wat het kan. Samen nazeggen en één dier kiezen.

    • A rabbit can jump!
  5. Deel 5

    Challenge

    Beeld één dier uit en laat de groep het woord zeggen.

    • Which animal is it?

Activiteiten hierbij

Week 3

Animal Sounds

Dieren herkennen aan hun geluid en het Engelse woord zeggen.

Engelse woorden

  • woof · waf
  • miaow · miauw
  • moo · boe
  • baa ·
  1. Deel 1

    Warming-up

    Snelle ronde: jij doet een dier voor, kinderen roepen het woord.

    • What animal am I?
  2. Deel 2

    Woorden & luisteren

    Jij maakt het geluid, kinderen noemen het dier in het Engels.

    • Woof! Which animal? Yes, a dog!
  3. Deel 3

    Bewegen

    Vier hoeken, vier dieren. Jij maakt een geluid, kinderen rennen naar de juiste hoek.

    • Moo! Go to the cow corner!
  4. Deel 4

    Spreken

    In tweetallen: één kind doet een geluid, de ander zegt het dier. Samen nazeggen en één dier kiezen.

    • Your turn. Make a sound!
  5. Deel 5

    Challenge

    Beeld één dier uit en laat de groep het woord zeggen.

    • Four sounds, four animals. Ready?

Activiteiten hierbij

Week 4

Where Do They Live?

Vertellen waar dieren wonen met “lives in”.

Engelse woorden

  • farm · boerderij
  • water · water
  • forest · bos
  • house · huis
  1. Deel 1

    Warming-up

    Herhaal alle dieren tot nu toe in een snelle ronde.

    • Name the animals! Go!
  2. Deel 2

    Woorden & luisteren

    Zeg zinnen voor: “A fish lives in the water.” Kinderen zeggen na.

    • A cow lives on the farm.
  3. Deel 3

    Bewegen

    Maak drie plekken in de ruimte: farm, water, forest. Noem een dier, kinderen rennen erheen.

    • Fish! Where do you go?
  4. Deel 4

    Spreken

    Elk kind kiest een dier en zegt waar het woont. Samen nazeggen en één dier kiezen.

    • A bird lives in a tree.
  5. Deel 5

    Challenge

    Beeld één dier uit en laat de groep het woord zeggen.

    • Three animals, three places!

Activiteiten hierbij

Week 5

Guess the Animal

Dieren raden uit een korte Engelse beschrijving.

Engelse woorden

  • big · groot
  • small · klein
  • fast · snel
  • soft · zacht
  1. Deel 1

    Warming-up

    Snelle woordenronde met alle dieren.

    • Ready? Name an animal!
  2. Deel 2

    Woorden & luisteren

    Jij geeft drie hints, de groep raadt het dier.

    • It is big. It is grey. It lives in the zoo.
  3. Deel 3

    Bewegen

    Bij een goed antwoord doet iedereen het dier na.

    • Yes! An elephant. Be an elephant!
  4. Deel 4

    Spreken

    Kinderen bedenken zelf twee hints voor de groep. Samen nazeggen en één dier kiezen.

    • Give us two hints!
  5. Deel 5

    Challenge

    Beeld één dier uit en laat de groep het woord zeggen.

    • Is it big? Is it fast?

Activiteiten hierbij

Week 6

Animal Challenge

Alles samen gebruiken in een feestelijke afsluiting.

Engelse woorden

  • animal · dier
  • sound · geluid
  • home · huis
  • team · team
  1. Deel 1

    Warming-up

    Korte herhaling van alle zes weken.

    • Six weeks of animals! Let's see what you know.
  2. Deel 2

    Woorden & luisteren

    Ronde 1: jij noemt een dier, teams doen het geluid of de beweging.

    • Team A: a horse!
  3. Deel 3

    Bewegen

    Ronde 2: teams rennen naar de juiste hoek bij elk dier.

    • Fish! Go!
  4. Deel 4

    Spreken

    Ronde 3: elk kind zegt één zin over een dier. Samen nazeggen en één dier kiezen.

    • A rabbit is small and fast.
  5. Deel 5

    Challenge

    Beeld één dier uit en laat de groep het woord zeggen.

    • Thirty seconds. Ready? Go!

Activiteiten hierbij